Voorpublicatie: Vrij Nederland
Auschwitz

Auschwitz. Voor Dore van Duivenbode (32) betekent die plaats: vakantie. Al vanaf haar prille jeugd ging ze elke zomer met de bus naar het familiehuis van haar moeder, die van Auschwitz (Oświęcim) naar Rotterdam emigreerde. Toen haar moeder overleed en Dore het familiehuis moest verkopen, deed ze wat ze al lang van plan was: de bewoners van Auschwitz vragen hoe ze leven met het beladen verleden.

Op het Rotterdamse busstation klonken elk jaar dezelfde flarden Pools: ‘Autobus …’, ‘zawsze …’, ‘za późno …’ (Bus … altijd … te laat …).

Als dan eindelijk een felroze touringcar om de hoek kwam gereden, spelde mijn moeder voor mij de naam van de busmaatschappij, die met gouden sierletters op de zijkant was geplakt: ‘K-A-R-O-L-I-N-A.’

Het was een bus zoals die van Barbie, roze en glanzend. Maar allesbehalve chic. Het komende etmaal zou hij ons thuis zijn.

Karolina stond onder commando van een driekoppige brigade: twee buschauffeurs en een busbegeleidster. De busbegeleidster controleerde de tickets, schonk koffie en thee en ruimde kotszakjes op. Vanaf het trapje bij Karolina’s ingang sommeerde de busbegeleidster de passagiers zich langs het bagageruim op te stellen op volgorde van eindbestemming. In sneltreinvaart somde zij de plaatsnamen op: ‘Katowice, Zabrze, Gliwice, Strzelce, Opole, Wrocław, Legnica.’

Elk jaar kwamen we langs het appartement van mijn grootouders in Oświęcim. De stad telt nog geen veertigduizend inwoners en kent één zwaartepunt: Museum Auschwitz-Birkenau. Wanneer we deze plek passeerden, wilde ik wat ik zag op mijn netvlies branden. Alleen zag ik niet veel bijzonders. Een parkeerterrein, gebouwen. Rijen met mensen wilden naar binnen, hadden parasols tegen de zon; bussen zoals Karolina stonden op het parkeerterrein. Ik vroeg elke keer of ik ook naar binnen mocht. Steevast was het antwoord: geen sprake van. Ik was te jong voor een bezoek en juist daarom oefende de plek een grote aantrekkingskracht op me uit.

[…]

Lees verder in Vrij Nederland.